Nieuws

Uit de puinhopen van de Brexit een sociaal Europa, Nik Jan de Boer

door Jan-Kees Koning op 1 februari 2017

 

 

 

 

 

Dat het vertrek van de Britten negatieve consequenties heeft voor de EU en het VK, is een behoorlijk understatement. De vraag is nu of deze dreun ook een wake-up-call voor links betekent. Een ander en sociaal Europa kan, maar dan moet het roer wel om.

Voor het eerst in de geschiedenis verlaat een lidstaat de Europese Unie. De voorstanders van lidmaatschap, Cameron voorop, bleken niet staat om de Britse bevolking te weerhouden van de lokroep van het Leave-kamp. Het Britse referendum is de meest recente uiting van een politieke transformatie die zich in heel Europa voltrekt. Ondanks de mondiale financiële crisis van 2008 en het wijdverspreide besef dat de huidige vorm van economische globalisering te veel verliezers kent, zijn het niet de linkse partijen, maar juist de rechtspopulisten die in de meeste Europese landen terrein winnen. Brexit zal de positie van Marine Le Pen en Geert Wilders versterken. Polen en Hongarije zijn al afgegleden naar meer autoritaire regimes en zelfs in Duitsland heeft het Alternative für Deutschland politiek momentum.
Waar zijn de linkse ideeën die op deze ontwikkelingen een helder antwoord bieden en een positief toekomstperspectief schetsen? Politiek links weet zich nauwelijks staande te houden in het debat over de EU en heeft geen overtuigend verhaal over hoe de waarden van de sociaal-democratie in een veranderde wereld gerealiseerd kunnen worden. Nu de toekomst serieus op het spel staat zijn we gedwongen om het Europees project beter te waarderen en te werken aan een socialere, rechtvaardigere en democratischere Unie.

Een campagne van valse beloftes

De officiële Leave Campaign steunt op drie centrale beloftes: minder geld naar Brussel, minder immigratie en meer zeggenschap over wetgeving. Wat het VK na de Brexit waarschijnlijk krijgt, is evenveel kosten en immigratie, en minder zeggenschap. De drie campagneleuzen stuiten vooral op één groot probleem. De drie beloftes van minder geld naar Brussel, minder immigratie en meer zeggenschap zijn niet te verenigen met de toezegging dat het VK wel toegang houdt tot de Europese interne markt.
Zo berust de € 350 mln. die volgens het Leave-kamp wekelijks aan de EU betaald moest worden, op een onjuiste voorstelling van zaken. Dankzij een door Thatcher bedongen korting draagt het VK € 276 mln. bij aan de EU. Ook is de € 115 mln. die de Britten wekelijks uit de EU-begroting ontvangen voor boeren regio’s en wetenschap onvermeld gebleven.
Daar komt nog bij dat blijvende toegang tot de Europese interne markt allesbehalve gratis is: ‘There is no such thing as a free lunch’. Hoewel Noorwegen en Zwitserland geen lid zijn van de Unie, hebben ze wel toegang tot de vrije interne markt. Alleen zijn de voorstanders van de Brexit wel vergeten te vermelden dat ze daarvoor een flinke prijs moeten betalen. Noorwegen, dat lid is van de Europese Economische Ruimte draagt een bijdrage bij dat vergelijkbaar is met dat van een EU-lidstaat, en Zwitserland, dat via een serie verdragen toegang heeft tot grote delen van de interne markt, betaalt maar liefst 55% van de Britse bijdrage per hoofd van de bevolking. Tel daar de economische schade bij op die het VK zal ondervonden als gevolg van de onzekerheid na de Brexit, en er blijft niets over van de vermeende kostenbesparing. Integendeel, de kans is groot dat het de Britten behoorlijk wat geld gaat kosten.
Ten tweede zou de Brexit zorgen voor minder immigratie. Prominente Brexiteers als Boris Johnson en Michael Gove stelden dat het recht van EU-burgers om in het VK te werken ten einde zou komen. De nieuwe premier Theresa May heeft de toon enigszins gematigd en spreekt over het terugbrengen van migratie tot ‘sustainable levels’. Het lijkt echter buitengewoon onwaarschijnlijk dat de EU-lidstaten onbelemmerd verkeer van goederen, diensten en kapitaal gaan toestaan als hun eigen burgers niet in het VK mogen werken. In Noorwegen en Zwitserland kunnen EU-burgers ook gewoon aan de slag. Kortom: als het VK toegang wil houden tot de interne markt, dan moet het zeer waarschijnlijk ook het vrij verkeer van werknemers accepteren.
Ten derde beweren de Brexiteers dat de voorrang van het Europese recht op het nationaal recht bij een Brexit komt te vervallen en dat het VK dus weer zeggenschap over zijn eigen regels krijgt en aldus democratischer zal worden. Maar ook hier geldt dat het VK de Europese regels over de interne markt zal moeten uitvoeren als het vrije toegang wil houden. Net als Noorwegen en Zwitserland hebben ze dan echter geen zeggenschap over de totstandkoming van die regels. Voor het VK is het vooral problematisch dat het invloed zal verliezen op de regulering van de financiële sector die 7% van het Britse bbp uitmaakt. Hoewel er legitieme zorgen zijn over het democratische gehalte van de EU, laat de Brexit zien dat uittreding niet noodzakelijk meer soevereiniteit of democratie oplevert.

BLIJVENDE TOEGANG TOT DE EUROPESE INTERNE MARKT IS ALLESBEHALVE GRATIS

Het is pijnlijk dat het Remain-kamp ondanks deze valse beloftes toch verloor. In een interview werd Grove gevraagd om een economische expert te noemen die Brexit een goed idee vond. Hij antwoordde: “I think the people in this country have had enough of experts” en “you’re on the side (…) of the elites, I am on the side of the people”. Gove’s woorden volgen een inmiddels beproefd recept. Het wantrouwen richting een elite van experts en politici wordt gemobiliseerd om de positie van de tegenstander te ondermijnen. Britse politici hebben zelf aan dat wantrouwen bijgedragen, omdat ze de EU in de afgelopen veertig jaar de schuld van vrijwel alles hebben gegeven. De liefde voor het Europees project was bovendien nooit heel erg warm, maar hooguit instrumenteel.
In een campagne van drie maanden bleek het onmogelijk om het vertrouwen te herstellen. Het Remain-kamp miste een principieel argument voor Europa en voerde een campagne op basis van angstbeelden. Daarnaast heeft de financiële crisis de autoriteit van veel economische experts ondergraven, is het verhaal van Europa als economische welvaartsmachine sinds de eurocrisis minder geloofwaardig geworden, en lijkt de belofte dat Europese integratie iedereen ten goede komt, simpelweg niet te kloppen.

Globaliseringsverliezers

Een veelgehoorde verklaring voor de Brexit is dat de verliezers van globalisering zich grotendeels tegen de Europese Unie keerden. Het is een analyse die links zich moet aantrekken. Het klassieke idee is dat economische globalisering de welvaart van iedereen vergroot. De praktijk is echter dat zij winnaars en verliezers kent. Ze vergroot de klassenverschillen tussen hen die de vaardigheden en opleiding hebben om van globalisering te profiteren en zij die dat niet hebben tussen kansrijke en kansarmen. Voor de eerste groep heeft globalisering kans op een betere baan en een hoger inkomen, voor de tweede is het vooral een bedreiging van baanzekerheid en inkomen.
De EU is zowel onderdeel van het probleem als van de mogelijke oplossing. Problematisch is het dat de Unie in belangrijke mate een marktproject is, gericht op vrijhandel en deregulering. De meest prangende uiting hiervan vormt het vrij verkeer van kapitaal. Dat stelt bedrijven in staat om zich te vestigen in de fiscaal meest aantrekkelijk lidstaat en zo min mogelijk belasting af te dragen. Het gevolg is belastingconcurrentie tussen de lidstaten. Multinationals en rijken kunnen zo belasting ontwijken, terwijl gewone burgers de lasten van grote bezuinigen dragen. Bovendien is het voor individuele lidstaten moeilijker om financiële markten te reguleren, die als gevolg van dit kapitaalverkeer diepgaand met elkaar zijn verweven.
De eurozone staat daarnaast voor een gigantische uitdaging, omdat het opgeven van de eigen munt een belangrijke beperking betekent van de mogelijkheid om nog een eigen economisch beleid te voeren. Het antwoord van de EU op de eurocrisis is hoofdzakelijk een model van strenger toezicht op nationale begrotingen. Lidstaten dienen zich te houden aan het Stabiliteitspact, waarop wordt toegezien door de Europese Commissie zonder dat deze zelf een sterke democratische legitimatie heeft.

GEZAMELIJK KUNNEN DE EU-LIDSTATEN WEER GREEP KRIJGEN OP DE GLOBALISERING

Het belangrijkste slachtoffer daarvan is de democratie. Er vindt nauwelijks nog politieke strijd plaats over het economisch beleid en de macht van de uitvoerende macht en technocratische instituties is sterk gegroeid ten koste van de representatieve organen, zoals het Europees Parlement en nationale parlementen. De wens om nationale soevereiniteit te behouden lijkt hier juist het probleem en niet de oplossing.
Toch biedt de EU ook de mogelijke oplossing, omdat de lidstaten samen weer greep kunnen krijgen op de globaliseerde markten. Dus moet politiek links wel een beter verhaal formuleren over hoe dat moet en hoe je Europa rechtvaardiger maakt. Momenteel heeft iemand die niet profiteert van de globalisering weinig reden om PvdA te stemmen. Hooguit blijft de status-quo behouden. Maar veel beter zal het niet worden, aangezien de partij aan de wieg stond van de meeste ingrijpende economische hervormingen en Europese besluiten van de afgelopen decennia. De belofte dat de Europese integratie ook hun ten goede zou komen, is niet waargemaakt, terwijl men wel de pijn van de ‘noodzakelijke ingrepen’ na de crisis voelt. Het simpele “nee” van iemand als Wilders is voor deze gedesillusioneerde en in de steek gelaten mensen vooralsnog veel aantrekkelijker.

Een ander Europa?

Een betere visie op de EU laat zich ook niet makkelijk formuleren. Na de Brexit roept vrijwel iedereen dat het tijd is voor een ander Europa, maar er is geen overeenstemming over de manier waarop het anders zou moeten. Na de Tweede Wereldoorlog bracht de Europese samenwerking vrede en veiligheid, daarna welvaart, maar de laatste jaren lijkt Europa vooral een bezorger van crisis: eerst de euro-, daarna een vluchtelingen- en nu een veiligheidscrisis. Die crisis overschaduwen het hele debat en maken het zeer lastig om de EU te verdedigen. De Unie functioneert slecht en het enige argument lijkt dat het alternatief nog slechter is.
De eerste stap naar een ander Europa is de erkenning dat de EU niet één bepaald, vaststaand doel dient, maar dat er verschillende strijdende politieke visies zijn. De EU zal deze politieke conflicten beter moeten internaliseren in de Europese instituties. Dat betekent een democratischere EU, waarin verschillende politieke partijen tegenovergestelde voorstellen kunnen formuleren over doel en richting van het Europese project. Het Europees Parlement speelt hierin een cruciale rol en moet zich ontwikkelen tot het voornaamste politieke strijdtoneel.
Dit vergt ook dat de belangrijkste beleidsvoorkeuren niet langer in de EU-verdragen, maar in secundaire wetgeving worden neergelegd. De verdragen zijn slechts bij unanieme instemming van de lidstaten te wijzigen, maar hun bepalingen en de interpretaties van het Hof van Justitie hebben voorrang op het nationaal recht. Het gevolg is dat er grote macht ligt bij het Hof in de interpretatie van de verdragen. Door de omvang van de verdragen terug te brengen en bijvoorbeeld de rechten van economisch vrij verkeer en mededingingsbepalingen in secundaire wetgeving neer te leggen, ontstaat er meer ruimte voor politieke correctie op de macht van het Hof en is meer politieke strijd mogelijk.
Ten tweede zullen linkse partijen de verliezers van globalisering een beter verhaal moeten bieden. De sociaal-democratie is er om mensen de voorwaarden te bieden het beste van hun leven te maken: goed werk, zekerheid, hulp bij tegenslag, goed onderwijs en goede zorg, zodat ieder mens kan leven in werkelijke vrijheid. In de wereld van vandaag zijn de voorwaarden voor het bereiken van dat ideaal sterk veranderd.
De politiek is de laatste jaren nauwelijks in staat gebleken om de onderliggende problemen van de economische crisis aan te pakken, terwijl we enorm hebben bezuinigd op de verzorgingsstaat. Essentiële elementen van een nieuwe linkse agenda zijn het tegengaan van groeiende ongelijkheid, het bestrijden van belastingontduiking, een ambitieus klimaatbeleid en een betere regulering van financiële markten. Om die doelen te bereiken is Europa hard nodig.

Nik Jan de Boer, Redacteur S&D

Uit S&D Jaargang 73 Nummer 4 Augustus 2016

nik_jan_de_boer_-_uit_de_puinhopen_van_de_brexit_een_sociaal_europa

Geef een reactie

* = verplicht, e-mailadres wordt niet gepubliceerd.