Door op 24 juni 2016

Boekbespreking: Nederland seculier? August Hans den Boef, door Ger Verrips

 

 

 

 

 

 

Dit is het vijfde en laatste artikel over Turkije in 2004 (JK)

Nederland seculier? August Hans den Boef, Amsterdam, Van Gennep, 2003

Een jaar gelden (2002) attendeerde August Hans den Boef een argeloos publiek erop dat bij de invoering van de euro alleen de in Nederland geslagen munt een randopschrift heeft waarin een opperwezen wordt aangeroepen: GOD ZIJ MET ONS! Dit ondanks het feit dat de meeste Nederlanders in antwoord op de vraag van opinieonderzoekers zich als niet-Kerkelijk te beschouwen. Enkele maanden later verraste hij met scherpe kritiek op het te welwillend ontvangen rapport van de Onderwijsinspectie over de Islamitische scholen. Inmiddels heeft hij de talrijke beschouwingen die daarop volgden in diverse media nader uitgewerkt en gepubliceerd in boekvorm, gericht tegen religieuze privileges in wetten, regels, praktijken, gewoontes en attitudes zoals de ondertitel van het boek het samenvat. Hij bestrijdt daarin ideeën, soms gehanteerd als uitgangspunten voor beleid, “Dat religieuze instituties boven andere maatschappelijke instituties staan; dat religie per definitie een positief, maatschappelijk verschijnsel is en daarom bij uitstek een middel voor inburgering: dat religieus gedrag en bijbehorende parafernalia leiden tot emancipatie en integratie’ (p10).
Sommige boeken zijn ondanks gebreken van belang vanwege het aan de orde stellen van onderwerpen die het politieke debat onverantwoord lang zijn genegeerd. Dit boek is zo’n boek. Een gebrek ligt in enkele simplificaties, te beginnen bij Den Boefs jubelen dat bij het vergelijken van opiniepeilingen blijkt dat in ons land de meeste ondervraagden (52%) antwoordden zich als niet-Kerkelijk te beschouwen, een unieke hoge score. Formeel juist, maar in de Oostelijke Länder van de Bondsrepubliek, die tot voor kort de DDR vormden, is de score 20%. Belangrijker nog is dat zo’n boek in Nederland allicht zwaarder wordt opgenomen dan in minder door Kerkelijke twisten onder Protestanten en royaler bevolkte door blijmoedige Katholieken, landen in Latijns-Europa, waar het Kerkelijk leven na de doop vooral het gemak van traditionele rituelen wordt gezocht en soms enige troost door solidair sociaal contact.
Bovendien verliest Den Boef in zijn gedrevenheid te vaak de zorgvuldigheid uit het oog die men het hanteren van de term seculier moet blijven betrachten. Seculier staat voor niet meer en niet minder dan de scheiding van Kerk en Staat. Ze staat niet voor het onderscheiden van gelovigen en niet-gelovigen – daar glijdt Den Boef te vaak uit. Een samenleving waarin iedereen een geloof zou aanhangen, kan seculier worden ingericht en bestuurd, evenals één waarin niemand enig geloof zou aanhangen.
Het belang van Den Boefs bijdrage aan discussies die door de immigratie en immigratieproblemen en op handen staatkundige vernieuwingen in het kader van de Europese Unie dringend zijn geworden: liggen in zijn standpunten inzake praktische kwesties. Op grond van alleszins ernstig te nemen argumenten wijst hij de ‘oneindige formulering’ van Artikel 1 van de Grondwet af – ‘De moeder van misverstanden’. Hij bepleit een nieuwe redactie waarin een overbodig geacht verbod van ‘discriminatie wegens Godsdienst’ vervalt. omdat het in de praktijk wordt misbruikt voor de bevoorrechting van religieuze instituties. Hij wijst op vrij onbekende wetsbepalingen als het verschoningsrecht voor predikanten, priesters en rabbijnen, die, op gelijke voet gesteld met de medicus, de advocaat en de notaris, niet hoeven te getuigen indien één van hun ‘cliënten’ daardoor benadeeld zou kunnen worden. Een ander voorbeeld betreft het Nieuw Burgerlijk Wetboek dat bij de bepalingen over rechtspersonen uitzonderingen maakt voor Kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen, die door hun eigen Statuut mogen worden genegeerd, met de daaruit voortvloeiende financiële bevoorrechting.

Cleveringalezing

Actueler en belangrijker nog is zijn ook vanuit persoonlijke ervaring gedegen beargumenteerd pleidooi voor herziening van de wetgeving inzake openbaar en bijzonder onderwijs voor dringend noodzakelijke morele en materiële versterking van de positie van het openbaar onderwijs en het tegengaan van verdere uitholling van het seculiere karakter ervan. Dit deel kan elke landelijke en lokale volksvertegenwoordiger die zich inzet voor het niveau van ons onderwijs, bepalend voor de toekomst van dit land, in het bijzonder voor de zwakken en allochtonen als verplichte lectuur beschouwen. Er is alle reden begrip te blijven hebben voor het feit dat de SDAP in 1917 akkoord ging met de Wet op de Gelijkstelling van het Openbaar en Bijzonder Onderwijs, er is geen enkele reden om dit compromis tegenwoordig, in het meer dan tachtig jaar grondig veranderende Nederland, op de principiële hoofdpunten nog altijd onbespreekbaar zijn.
Den Boef spreekt vanuit zijn hoop en verwachting op verandering vooral de Partij van de Arbeid aan op haar verantwoordelijkheid. Dat kan slechts als een compliment worden opgevat. Waar hij fel van leer trekt tegen de Cleveringalezing van PvdA-burgemeester Job Cohen van Amsterdam, slaat hij echter door in zijn kritiek en verliest hij alle proporties uit het oog. Cohen sneed in zijn lezing de vraag aan: “Hoe immigranten uit landen waar men de seculariteit niet kent er toe kunnen worden gebracht de nieuwe hem omringende geseculariseerde samenleving te accepteren”. Hij stelde in dat verband: ‘Het geloof is een voor gemakkelijke en voor de hand liggende ingang, wanneer zij aansluiting zoeken in Nederland. Daarom zou de integratie van deze migranten in de Nederlandse samenleving paradoxaal genoeg misschien nog wel het beste via hun geloof kunnen verlopen. Dat is immers vrijwel het enige ankerpunt dat zij hebben, wanneer zij de Nederlandse samenleving van de 21ste eeuw betreden. Deze beiden ontwikkelingen vragen om aandacht voor de rol van de religie in onze samenleving.
Dit betoog biedt zeker ruimte voor kritische kanttekeningen en vragen om nadere precisering van de praktische uitwerking van één en ander. Maar Den Boef reageert kortzichtig, door de reële maatschappelijke probleemstelling die Cohen formuleert simpel te negeren en geen oog te tonen voor praktische bestuurlijke en politieke ontwikkelingen.

Den Boef schrijft direct en openhartig, met een te zeldzame en daardoor verademende persoonlijke inzet en betrokkenheid. Hij beschikt over ruime gedetailleerde kennis van zaken, ook van historische van gangbare opvattingen, en over eruditie op cultureel gebied. Hij is slordig en naïef als het algemene aspecten en polemische punten betreft, maar sterk en precies waar het om concrete kwesties gaat. Niemand van degenen die hem in de media honend uit het gezichtsveld trachten te sturen gaan op deze concrete kwestie in.
De gedachtewisseling over onderwerpen als deze zou in ons land eerlijker en helderder moeten verlopen, opener en oprechter, zonder het denigrerend negeren van de soms pijnlijke ervaringen en verwijtende overwegingen van andersdenkenden. Dat geldt ook voor en binnen de PvdA – al was het maar uit partijbelang en om anderen een goed voorbeeld te geven.

Ger Verrips is schrijver

Uit Socialisme en Democratie, 7/8 2003

verrips_ger_boekbespreking_nederland_seculier_sd2003-7-8