Door op 9 februari 2016

“Het houdt niet op, niet vanzelf”, Thomas von der Dunk

 

 

 

 

 

 

Vluchtelingen en de PvdA

De vluchtelingencrisis stelt met name sociaal-democraten voor grote vragen. Hoe verhouden nationale en internationale solidariteit met elkaar? Op welke manier verdeel je de lasten tussen de bewoners van Wassenaar en Rotterdam-Zuid en voorkom je dat de boel barst. En hoe kun je de integratie van de nieuwkomers het beste vormgeven?

Tegen de achtergrond van de met globalisering gepaard gaande afbraak van de staat stelt het vluchtelingenvraagstuk de sociaal-democratie nu voor grote problemen en bijna onoplosbare dilemma’s. Hoe verhoudt zich in tijden van economische stagnatie en toenemende ongelijkheid in eigen land het gekoesterde beginsel van nationale solidariteit tot het evenzeer gekoesterde beginsel van internationale solidariteit?
De omvang van de verzorgingsstaat is gebaseerd op het nationale welvaartsniveau. Het is evident dat deze niet te handhaven valt indien hij – om het heel extreem te formuleren – bij het huidige mondiale welvaartspeil niet aan 17 miljoen maar aan 7 miljard mensen sociaal onderdak zou moeten bieden. Werkelijk grootschalige immigratie zet de verzorgingsstaat onvermijdelijk onder druk. Ongelimiteerde internationale solidariteit valt niet te rijmen met nationale solidariteit, omdat dan hoofdzakelijk de armste Nederlanders de prijs voor hulp aan de nog veel armere niet-Nederlanders zullen betalen
Of dat ook het aantal migranten zal afremmen, valt te bezien. De aantrekkelijkheid van Amerika is er zonder collectieve voorzieningen er niet minder om. De meeste migranten komen niet met de intentie om van sociale voorzieningen te profiteren, maar om, tegen de achtergrond van de uitzichtloze situatie in hun herkomstland, via werk een nieuw bestaan op te bouwen. De door Halbe Zijlstra geformuleerde angst voor botoxmigranten en borstcorrectietoerisme zegt vooral iets over het mens- en maatschappijbeeld in zijn eigen kring, dat overigens best op vergaande zelfkennis van de specifieke VVD-achterban gebaseerd kan zijn. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.

Nimby en solidariteit

Het behoud van enig internationale solidariteit vergt wel in een ander opzicht een grotere onderlinge solidariteit: bij het eerlijker verdelen van de lasten. De prijs voor immigratie wordt zowel in sociaaleconomische als in sociaal-culturele zin niet in de villawijken betaald maar in de volkswijken, waarin de meeste migranten zeker aanvankelijk automatisch terecht zullen komen, zo niet bewust gehuisvest zullen worden. Teveel komt de last zo eenzijdig terecht op de schouders van de minder welvarende delen van Nederland. Zelden zal het Nimby-gedachtengoed van de betere buurten zo schaamteloos zijn verwoord als door journalist en telg uit een bekend bankiersgeslacht Robert Van Lanschot in de NRC van 30 september: “Voor vluchtelingen zijn arme gemeenten beter, en wel omdat ze daar goedkope belwinkels en troost biedende moskeeën in plaats van dure eethuisjes en ‘haram’ bakkers hebben”. Maar het heerst ongetwijfeld breder.

IN DE GEGOEDE BUURTEN ZUL JE NIET SNEL EEN VLUCHTELING TEGENKOMEN

In de groene D66-gordel – de partij die zich met haar ideologische kosmopolitische het meest als voorstander van principieel open grenzen manifesteert – die van Bloemendaal tot Wageningen door Nederland loopt, treft men in elk geval minder asielzoekerscentra aan. Ruimharigheid is makkelijk, zolang het de buren zijn die in de praktijk moeten inschikken. Maar om juist onder de lager betaalden enig draagvlak voor vluchtelingenopvang te behouden is het essentieel dat onder hen niet opnieuw de indruk ontstaat dat de welgestelden dit probleem bij hen over de schutting kieperen.

Evenredig de lasten over Europa verdelen

Bovendien wordt ook nog eens de onderlinge Europese solidariteit op de proef gesteld. Onder druk van een deels xenofoob electoraat pogen nogal wat nationale regeringen de hete aardappel op het bordje van de anderen te schuiven. Het vertaalt zich soms in een ontoelaatbare race to the bottom teneinde zo onaantrekkelijk mogelijk te ogen. Indachtig de ondoordachte uitspraak van premier Rutte: “Dat de vluchtelingen geen Nederlands, maar een Afrikaans probleem zijn”, houdt vrijwel iedereen zijn kaken, beurs en grenzen zo lang mogelijk gesloten.
Maar omdat de vluchtelingen er nu zijn, is het automatisch wel ons probleem. En het gaat daarbij ook om een gezamenlijk Europees probleem, dat we niet alleen op de schouders van Duitsland kunnen afwentelen. Of op Griekenland en Italië, die ‘helaas’ de pech hebben nu net aan die Europese buitengrens te liggen waar zich de meeste vluchtelingen zich melden. Dat die zich in Finland ‘toevallig’ wat minder vaak melden, omdat uit Spitsbergen hooguit voor smeltend Poolijs vluchtende ijsberen te verwachten zijn, mag geen argument zijn om zich aan een evenredig aandeel te onttrekken. Dat geldt ook voor Oost-Europa, dat tot nu toe sterk van het EU-lidmaatschap heeft geprofiteerd.
Deze redenering betekent het logische einde van ‘Dublin’: “Dat de asielverlening een zaak is van het land waar de vluchteling in Europa arriveert”. Gezien het grote verschil tussen het aantal vluchtelingen uit Spitsbergen en Syrië is dit stelsel onhoudbaar.
Brussel zal eveneens met een verdeelsleutel moeten komen, zodat ieder land naar rato bijdraagt. Een verplichte verdeelsleutel, anders heeft het geen zin. Hetgeen weer impliceert dat op individueel niveau bepaald wordt welke vluchtelingen precies waar opgevangen worden. Dat is zeker geen gemakkelijke kwestie, zolang Duitsland hoger op hun verlanglijstje staat dan Letland, omdat dat meer uitzicht op een nieuw bestaan biedt. Bij de huidige aantallen kan dat echter niet meer doorslaggevend zijn.
Probleemloos is een dergelijke, al snel op de individuele vluchteling als willekeurige lotsbeschikking overkomende toewijzing niet. Alleen in praktische zin, gezien de open Europese binnengrenzen. Zal een aan Letland toegewezen asielzoeker met Riga genoegen nemen als hij zijn zinnen op Rotterdam had gezet? Zal hij niet van alles proberen om alsnog daar terecht te komen, omdat zijn economische kansen daar beter zijn? Als na een door Brussel vastgestelde quotering een massale volksverhuizing binnen Europa volgt en dit in de populaire immigratielanden tot scheve gezichten leidt, is het de vraag, of na ‘Dublin’ niet ook Schengen op de helling zal gaan, en weer douane aan de grenzen moet komen.

Iedereen is op zoek naar een beter bestaan

En nog iets zal noodzakelijk zijn: “Het maken van onderscheid bij de poort. Wie mag er wel in, wie niet? Wel oorlogsvluchtelingen, geen economische migranten – ook met het oog op het verzwakte draagvlak in Europa zelf. Degenen die nu binnenkomen lopen uiteen van mensen die vanwege hun religieuze of etnische achtergrond direct in levensgevaar verkeren, dan wel door oorlogsgeweld have en goed verloren hebben, tot mensen die vanwege de – vaak met onverbeterbaar wanbestuur en notoire corruptie samenhangende – beroerde economische perspectieven in eigen land hun heil elders zoeken. Voor alle duidelijkheid, en dat dient ook consequent tegenover al die met termen als “gelukszoekers” gegoochelde rechtse demagogen gesteld te worden: met een dergelijke ambitie is niets mis.
Er bestaat geen wezenlijk verschil tussen een arme Afrikaan die als migrant naar het rijke Europa komt in de hoop daar een beter belegde boterham te kunnen verdienen, en een rijke Europeaan die als expat met precies diezelfde intentie naar een arm Afrikaans land vertrekt. Die notitie van een morele vergelijkbaarheid is bij de VVD – die zelf, tot aan voormalig partijleider Bolkestein toe, vermoedelijk als geen andere partij zoveel van dergelijke ‘gelukszoekers’ in haar eigen gelederen telt – volstrekt afwezig. Dat betekent niet dat wij al die mensen ook automatisch hier kunnen en moeten toelaten, maar dit steeds weer vooropstellen van de legitimiteit van de wens van migranten om hun eigen lot te verbeteren, is een kwestie van elementair menselijk fatsoen.
Het is overigens niet altijd even makkelijk om zulk onderscheid te maken. In de praktijk is er natuurlijk sprake van een glijdende schaal: tussen direct levensbedreigende omstandigheden en een uitzichtloze economische situatie zit veel in. De miljoenen Syrische in de kampen in Turkije. Libanon en Jordanië gaan weliswaar niet dood, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Dat velen van hen heil elders zoeken als spoedige terugkeer naar eigen huis en haard onwaarschijnlijk is, kun je ze moeilijk kwalijk nemen.

Geen invloed op migratiestromen

Dat zij nu massaal onze kant op komen is iets waarop wij betrekkelijk weinig invloed hebben. Versobering van de opvang en beperking van sociale rechten in de beginfase wordt weliswaar onvermijdelijk met het oog op draagvlak hier – denk aan de voorrang-bij-sociale-huurwoningen-kwestie – maar zal hooguit de stroom economische migranten uit veilige Balkanlanden (iets) afnemen.
De stroom oorlogsvluchtelingen daarentegen niet. Daarvoor is de push-factor veel te groot: mensen laten niet zomaar al hun bezittingen achter, slechts als zij thuis vrijwel geen perspectief meer zien. Dat verklaart tevens waarom de trek naar Europa pas, vier jaar later na het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië zo’n hoge vlucht heeft genomen: lang bestond bij velen de hoop dat binnen afzienbare tijd aan het geweld een einde zou komen. Die hoop is inmiddels volledig de bodem ingeslagen. Zeker na de Russische interventie, gevolgd op de Amerikaanse onmacht, kan de situatie gelden als volstrekt hopeloos. Velen die nu naar Europa komen zullen dan ook lang blijven, en daarvoor zullen we, of we het leuk vinden of niet, een oplossing moeten vinden.
Op die cruciale push-factor heeft het Westen namelijk vrijwel geen invloed. De conflicten in de Islamitische wereld kunnen wij niet oplossen. Daarvoor zijn ze veel te diep en veel te oud. Die oplossen kunnen ze alleen zelf. Westerse bemoeienis werkt meestal averechts. Behalve de eeuwenoude bloedige breuklijnen tussen Soennieten en Sjiieten, of tussen Arabieren, Turken en Perzen, zijn er nog twee factoren die de massale migratie bevorderen en waarop wij weinig invloed hebben.
De eerste is de grote tegenstelling tussen arm en rijk, die vooral voor het Afrikaanse contigent migranten geldt. Dat de welvaart en stabiliteit van het Westen enorme aantrekkingskracht op migranten zal blijven bezitten is evident. Die welvaart etaleren wij als toeristen bovendien ook zelf nadrukkelijk. Als je in drie uur van Amsterdam naar Aleppo kunt vliegen, kan het omgekeerde ook.
Dat is een laatste, onomkeerbare cruciale factor die grootschalige migratie stimuleert: de globalisering als gevolg van de industriële en technische revolutie in het Westen, die aan de basis van onze welvaart ligt. Daarmee zijn afstanden die vroeger vrijwel lopend moesten worden afgelegd enorm gereduceerd. Ongeacht de moeizame mensensmokkel via gammele bootjes of verstikkende vrachtwagens: vluchtelingen die in de Gouden Eeuw vanuit alle uithoeken van Europa naar Nederland kwamen, hadden een voetreis van weken op miserabel schoeisel over onbegaanbaar modderige paden achter de rug.

Vier dilemma’s

Zo zal massale immigratie ook de komende decennia tot de normale verschijnselen in de Europese samenlevingen behoren. Dat zal met name de sociaal-democratie voor tal van onvoorziene opgaven stellen. Ze bevindt zich met haar poging de kloof tussen ‘kosmopolitische’ hoogopgeleiden en ‘provinciale’ laagopgeleiden te overbruggen toch al in zwaar weer. aangezien de eerste groep van de open grenzen profiteert en de tweede groep die juist veelal als bedreiging ziet.
Zowel de opvang als de integratie gaat zeker niet probleemloos verlopen. Daarbij is het wel nuttig om onderscheid te maken tussen vier verschillende soorten problemen, ook al staan ze met elkaar in verband: financiële, organisatorisch, mentale en culturele.
Financieel kan het rijke Europa de huidige aantallen natuurlijk zonder meer aan. Als je ziet wat het veel armere Libanon torsen moet, is elke bewering van het tegendeel ridicuul. Nog steeds bedraagt het aantal vluchtelingen voor Europa nog geen procent van de totale bevolking. Nederland heeft in 1914 nog slechts 6 miljoen inwoners 1 miljoen Belgische vluchtelingen onderdak moet verlenen. Dat ging ook.
Wel zorgt de plotselinge komst van zoveel mensen nu uiteraard voor chaotische tafrelen. Organisatorisch ligt er (nu even) een duidelijk probleem, omdat men er nu niet op bedacht was. Met de beelden van Calais voor ogen had Den Haag echter kunnen verwachten dat ook Nederland zijn deel zou krijgen. Doodsangst voor PVV-getier belette met name de VVD om over die mogelijkheid zelfs maar te durven denken; de premier had al net z’n zoveelste pijnlijke geen-cent-naar-Griekenland-momentje achter de rug.
Die organisatorische problemen hoeven niet eeuwig te duren. Zo’n begin is altijd chaotisch – en daar ligt een deel van het mentale probleem. In een overgeorganiseerd land als Nederland breekt bij bevolking en bestuur snel paniek uit in geval van tijdelijke chaos, als de draaiboeken niet kloppen en velen in hun met overvolle agenda’s doorgestructureerde, maar verder rustig voortsudderende leventje worden verstoord. De jaarlijkse sportdag voor de kleintjes of de wekelijkse bingoavond voor de oudjes die geen doorgang kan vinden, groeit dan uit tot een nationale ramp.
Een veel groter mentaal probleem op de langere termijn, ligt op een ander vlak dan onze beperkte chaosresistentie: Europeanen zien hun land nog steeds niet als immigratieland. Hier ligt een essentieel verschil met Amerika, waar iedereen precies het jaar kan noemen waarin ‘hij’ gekomen is, ook als het zijn bet-bet-betovergrootouders betreft. Waar Amerikanen zich in zekere allen migranten weten is de grondhouding van de Europeanen: wij waren hier eerst en wij waren hier eigenlijk altijd. Dat verklaart ook veel van die eeuwigdurende interne conflicten tussen nationale meerderheden en minderheden, of het nu de Basken, Balten, Corsicanen of Serviërs betreft.
In Europa is het jaar van familieaankomst immers voor velen niet meer te traceren, zover reikt de kerkelijke administratie vaak niet terug. Dus wie van ons pas met de Grote Volksverhuizing vanaf de Centraal-Aziatische steppen is aangekomen of toch al vier eeuwen voordien samen met de Batavieren de Rijn is afgezakt, dan wel van de Friezen, de Franken of Canifaten afstamt, kan niemand meer vertellen. Vermoedelijk van allemaal, want op geen continent zijn de genen van al die volksstammen, de Neanderthalers inclusie, door ongecoördineerd paargedrag gedurende vele generaties zo onontwarbaar door elkaar geklutst als juist bij de “oorspronkelijke” Europeanen.
Hoe dan ook: waar Amerika zichzelf als het continent van de huifkar ziet, is Europa dat van het voorvaderlijk kasteel. Die in heel Europa diepgewortelde Heimat-mentaliteit staat makkelijke integratie van nieuwkomers in de weg. Hoelang heet de nazaat van een – vooral van een fysiek herkenbaar niet-blanke – immigrant een ‘allochtoon’?

FINANCIEEL KAN EUROPA HET PRIMA AAN: ELKE BEWERING VAN HET TEGENDEEL IS RIDICUUL

Tegenover het mentale receptieprobleem van de oudgediende Europeanen staat ten slotte het culturele aanpassingsprobleem van de nieuwkomers. Niet te ontkennen valt dat de meeste vluchtelingen uit een duidelijk andere cultuur afkomstig zijn, en daarmee andere normen en waarden vanzelfsprekend vinden dan wij. Tegenover een uitgesproken individualistische Westerse cultuur staat een veel collectivistischere van de meeste nieuwkomers, die voor hen een even vanzelfsprekend deel van hun identiteit uitmaakt. Dat is dus niet iets wat je even kunt afleggen: juist migranten zullen, omdat ze in den vreemde toch al met zoveel vreemds worden geconfronteerd, geneigd zijn aan allerlei oude opvattingen te hechten. Dat geeft immers moreel en mentaal houvast.
Vluchtelingen die het slachtoffer zijn van religieuze of etnische onverdraagzaamheid zijn bovendien niet zelf per definitie verdraagzaam. Uit allerlei incidenten in asielzoekerscentra is intussen al voldoende bekend over betoonde intolerantie van orthodoxe moslims jegens minder orthodoxe geloofsgenoten – zonder hoofdoek ben jij een hoer – of Christen en Alevieten. Of tussen Soennieten en Sjiieten onderling. Homo’s hebben er vaak geen leven.
Ook radicale vooroordelen vormen niet een uitsluitend Westerse fenomeen, veel Arabieren – mede als gevolg van een nog veel verder terugreikend slavenhalersverleden dan het Europese – kijkend vaak op Afrikanen neer. Forse spanningen tussen asielzoekers uit Syrië en Eritrea zijn daarom niet van de lucht. Een kamer delen met ongelovigen of mensen van een ander ras? Voor sommige vluchtelingen is dat zelfs in de grootste nood ondenkbaar.

Kwestie van lange termijn

In Europa hebben wij het belang van religie leren relativeren, zeker in de openbare ruimte: het is een privézaak geworden. In het Midden-Oosten ligt dat wezenlijk anders, omdat religieuze verhoudingen daar direct de politieke bepalen, en religieuze verschuivingen dus van invloed zijn op de politieke stabiliteit. Geen sprake van dat je even op eigen houtje van God mag wisselen! In de veel patriarchaler samenlevingen buiten het Westen wordt een hele familie op het (wan)gedrag van een individueel familielid afgerekend. Dat maakt een vorm van sterke onderlinge sociale controle logisch die individualistisch ingestelde Europeanen thans ondenkbaar en onacceptabel zouden vinden.
De relatie tussen cultuur en religie is daarbij een ingewikkelde. Zij vloeien niet rechtstreeks uit elkaar voort, zoals men ter linkerzijde graag beweert. Een godsdienst is meer dan het geloof in bepaalde wonderbaarlijke gebeurtenissen die in het Heilig boek beschreven zijn. Het verschaft de gelovigen op basis daarvan ook een moreel kader. Gelovigen zullen de voor hun ‘vanzelfsprekende’ morele opvattingen daarom meestal sterk religieus legitimeren, ook als dat in strikt exegetische zin niet boven twijfel verheven is. Daardoor kunnen tegelijk de normen en waarden binnen een bepaalde wereldgodsdienst immers verschillen. Christenen in Ierland en Indonesië zijn in cultureel opzicht allereerst Ier en Indonesiër; en een Bosnische Moslims is veel Westers dan Christenen uit Eritrea.
Zijn dergelijke mentaliteitsverschillen onoverbrugbaar en onoverwinbaar? Nee, maar het vergt wel tijd, en soms inderdaad heel veel tijd. Van belang voor succes is vooral is vooral dat wij onderscheid weten te maken tussen essentiële waarde en triviale uiterlijkheden, dus niet direct zeuren over hoofddoekjes of gemengd geslachtelijk handen geven – dat laatste doen orthodoxe Joden ook niet. Evengoed afwijkende eetgewoontes respecteren, hoe onbegrijpelijk die misschien ook zijn. Wij dwingen vegetariërs ook niet om vlees te eten. Wel betekent het dat de nieuwkomers ook van hun kant andermans afwijkende eetgewoontes moeten respecteren, en dat ook zeer principiële moslims in Europa moeten leren leven met het gegeven dat alcohol hier tot de gelegaliseerde drugs behoort.
Door zulke gewoontes te respecteren valt te verhinderen dat nieuwkomers zich direct volledig afsluiten, omdat zij zich in hun identiteit bedreigd voelen. Alleen dan is het mogelijk om in het kader van de integratie juist de essentiële waarde centraal te stellen waarop nadrukkelijk geen concessie gedaan kunnen worden: individuele geloofsvrijheid, en dus ook van geloofsuitval, gelijkheid van man en vrouw, en bovenal het recht om zelf naar eigen inzicht hun eigen leven in te richten, ook als homo of lid van een andere seksuele minderheid. Dat zal bij sommige groeperingen al moeilijk genoeg zijn, omdat die hun afwijkende morele opvattingen immers religieus gelegitimeerd weten. Maar die strijd zal men tijdig moeten aangaan om het ontstaan van parallelle morele gemeenschappen met eigen regels te voorkomen. Over het onacceptabele karakter van kindhuwelijken mag geen twijfel bestaan.
Speciaal voor sociaal-democraten ligt hier een cruciale taak, omdat zij een sociaal-cultureel emancipatiestreven met sociaal-economische solidariteit combineren. Voor het eerst hebben de christen-democraten traditioneel minder oog, voor het tweede de liberalen. Eerstgenoemden zullen verder eerder wegkijken bij activistische morele opvattingen, laatstgenoemden zullen ongevoeliger zijn voor materiële ellende, omdat zij geneigd zijn armoede als een individueel probleem te zien. Maar alleen een combinatie van beide kan voorkomen dat straks de integratie mislukt en wij met een nieuwe onderklasse zitten die op een getto-achtige wijze buiten de samenleving komt te staan.

Thomas von der Dunk, Cultuurhistoricus en publicist

Uit S&D Jaargang 5 November 2015

thomas_von_der_dunk_-_het_houdt_niet_op_niet_vanzelf (1)